Componenten van de neoklassieke, of marginalistische, theorie

Componenten van de neoklassieke, of marginalistische, theorie

Het basisidee van de neoklassieke distributietheorie is dat inkomens worden verdiend in de productie van goederen en diensten en dat de waarde van de productiefactor zijn bijdrage aan het totale product weerspiegelt. Hoewel deze fundamentele waarheid reeds aan het begin van de 19e eeuw werd erkend (bijvoorbeeld door de Franse econoom J.B. Say), werd de ontwikkeling ervan belemmerd door de moeilijkheid om de bijdragen van de verschillende inputs van elkaar te scheiden. Tot op zekere hoogte zijn zij allen noodzakelijk voor het eindresultaat: zonder arbeid zal er geen enkel product zijn, en zonder kapitaal zal de totale output minimaal zijn. Deze moeilijkheid werd opgelost door J.B. Clark (ca. 1900) met zijn theorie van de marginale producten. Het marginale product van een input, bijvoorbeeld arbeid, wordt gedefinieerd als de extra productie die voortvloeit uit de toevoeging van één eenheid van de input aan de bestaande combinatie van productiefactoren. Clark wees erop dat in een optimale situatie de loonvoet gelijk zou zijn aan het marginale product van arbeid, terwijl de rentevoet gelijk zou zijn aan het marginale product van kapitaal. Het mechanisme dat tot dit optimum leidt, begint bij de winstmaximaliserende zakenman, die meer arbeid zal inhuren wanneer het loontarief lager is dan het marginale product van extra arbeidskrachten en die meer kapitaal zal aanwenden wanneer de rentevoet lager is dan het marginale product van kapitaal. In deze visie wordt de waarde van de finale output gescheiden (toegerekend) door de marginale producten, die ook kunnen worden geïnterpreteerd als de productieve bijdragen van de verschillende inputs. De prijzen van de productiefactoren worden bepaald door vraag en aanbod, terwijl de vraag naar een factor wordt afgeleid van de vraag naar het eindgoed dat hij helpt produceren. Het woord afgeleid heeft een speciale betekenis, omdat in de wiskunde de term verwijst naar de kromming van een functie, en het marginale produkt is inderdaad de (partiële) afgeleide van de produktiefunctie.

Een van de grote voordelen van de neoklassieke, of marginalistische, distributietheorie is dat zij lonen, rente en landrenten op dezelfde manier behandelt, in tegenstelling tot de oudere theorieën die uiteenlopende verklaringen gaven. (Winsten passen echter niet zo gemakkelijk in het neoklassieke systeem.) Een tweede voordeel van de neoklassieke theorie is de integratie met de productietheorie. Een derde voordeel ligt in haar elegantie: de neoklassieke theorie van de verdelende aandelen leent zich voor een betrekkelijk eenvoudige wiskundige verklaring.

Een illustratie van de wiskunde is als volgt. Stel dat de productiefunctie (de relatie tussen alle hypothetische combinaties van land, arbeid en kapitaal enerzijds en de totale productie anderzijds) wordt gegeven als Q = f (L,K) waarin Q staat voor de totale productie, L voor de hoeveelheid ingezette arbeid en K voor de kapitaalgoederenvoorraad. Om de zaken zo eenvoudig mogelijk te houden, wordt land onder kapitaal geschaard. Volgens de theorie van de marginale productiviteit is de loonvoet gelijk aan de partiële afgeleide van de productiefunctie, of ∂Q/∂L. De totale loonsom is (∂Q/∂L) – L. Het verdelende aandeel van de lonen is gelijk aan (L/Q) – (∂Q/∂L). Op dezelfde manier is het aandeel van het kapitaal gelijk aan (K/Q) – (∂Q/∂K). De verdeling van het nationaal inkomen over arbeid en kapitaal wordt dus volledig bepaald door drie gegevensreeksen: de hoeveelheid kapitaal, de hoeveelheid arbeid, en de productiefunctie. Bij nader inzien geeft de grootheid (L/Q) – (∂Q/∂L), die ook kan worden geschreven als (∂Q/Q)/(∂L/L), de procentuele toename van de productie weer die het gevolg is van de toevoeging van 1 procent aan de hoeveelheid arbeid. Deze grootheid wordt de elasticiteit van de productie ten opzichte van de arbeid genoemd. Op dezelfde wijze is het aandeel van het kapitaal gelijk aan de elasticiteit van de productie ten opzichte van het kapitaal. De verdelingsaandelen worden, in deze visie, op unieke wijze bepaald door technische gegevens. Als 1 procent extra arbeid 0,75 procent aan de totale productie toevoegt, zal het aandeel van de arbeid 75 procent van het nationaal inkomen bedragen. Deze stelling is zeer uitdagend, al was het maar omdat zij de inkomensverdeling los ziet van vakbondsacties, arbeidswetgeving, collectieve onderhandelingen en het sociale stelsel in het algemeen. Het is duidelijk dat een dergelijke theorie niet de hele reële economische wereld kan verklaren. Toch is de logische structuur bewonderenswaardig. Wat nog moet blijken is de mate waarin zij kan worden gebruikt als een instrument om de reële economische wereld te begrijpen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *