The Gifford Lectures

The Gifford Lectures

Voor James George Frazer is de moderne wetenschap gewoon een andere religie, niets anders dan een manifestatie van dat universele verlangen om natuurverschijnselen te verklaren via verhalen en mythen. Zowel wetenschap als religie zijn bezig met ‘een geleidelijk proces van vereenvoudiging en eenwording’, zegt hij. Zij streven beide naar een harmonie en eenheid van alle krachten. Net zoals het polytheïsme in vele delen van de wereld in de loop der jaren is teruggebracht tot het monotheïsme – waarbij alle ‘krachten’ die voorheen waren verdeeld over vele goden uiteindelijk werden verenigd in één almachtige God – zo heeft ook de hedendaagse wetenschap voortdurend getracht de vele krachten die zij bestudeert terug te brengen tot één enkele ‘kracht’. In het begin van de twintigste eeuw streden scheikundigen bijvoorbeeld over de vraag of alle elementen van het periodiek systeem uiteindelijk herleidbaar waren tot waterstof. Voor Frazer is dit het bewijs dat wetenschappelijke en religieuze geesten identiek zijn.

Hoe controversieel deze bewering ook mag zijn geweest voor de antropoloog om er in zijn lezingenreeks van 1923 mee te openen, Frazer gaat er verder niet op in. In plaats daarvan besteedt hij in zijn Gifford Lectures aandacht aan dat ‘universele verlangen’ naar ‘vereenvoudiging en eenwording’ zoals dat zich manifesteert in historische en hedendaagse religieuze praktijken.

Frazers Gifford Lectures, getiteld ‘Worship of Nature’, gaan in op een 5000 jaar oude geschiedenis van hemel-, aarde- en zonaanbidding. De lezingen omvatten een omvangrijk feitencomplex – een catalogus van religieuze praktijken, rituelen en geloofsovertuigingen, samengesteld uit een mengsel van klassieke teksten, oude memoires en aantekeningen van missionarissen. Doorheen de lezing betoogt Frazer dat de overgrote meerderheid van religieuze mensen, of ze nu millennia geleden of in de huidige eeuw zijn geboren, vergelijkbare goden aanbidden omdat ze vergelijkbare natuurverschijnselen waarnemen.

Frazer begint zijn lezingen met een onderscheid tussen twee soorten verering die volgens hem alomtegenwoordig zijn: de verering van de natuur en de verering van de doden (namelijk ‘voorouder’-verering). Zijn lezingen concentreren zich op de eerste. De verering van de natuur is grotendeels gebaseerd op de ‘personificatie van de natuur’, waarbij ‘of ze nu bezield of onbezield zijn, de natuurverschijnselen in hun aard gelijk zijn aan de mens, hoewel ze vaak in kracht veel superieur aan hem zijn’. Frazers belangrijkste stelling is dat de mens door de geschiedenis heen geneigd is geweest de natuurlijke wereld te antropomorfiseren. We nemen aan dat, omdat we zijn zoals we zijn, natuurlijke krachten in de wereld alleen verklaarbaar zijn als het product van ‘krachten’ of ‘goden’ die persoonlijkheidskenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met die van ons. In het bijzonder behandelen Frazers lezingen drie vormen van antropomorfiserende natuur-aanbidding:

Volgens Frazer is het analyseren van de mythologie van de Vedische goden het nuttigst om de hedendaagse religieuze verering te begrijpen, omdat het de ‘kiem’ is van veel van het hedendaagse Indiase hindoeïsme, dat er aanspraak op maakt een van de laatste wereldreligies te zijn die zich nog bezighouden met pantheïsme. Bij de Vedische Indianen nemen twee hemelgoden – Dyaus en Varuna – een belangrijke plaats in het pantheon in. In veel opzichten zijn zij analoog aan de Griekse goden Zeus en Jupiter, die een prominente plaats innemen in het Griekse pantheon, omdat zowel de Vedische als de Griekse culturen geneigd waren hun goden te personifiëren door hen mensachtige kenmerken te geven. Dyaus wordt beschreven als ‘weldadig, wijs’ en een promotor van gerechtigheid, terwijl Varuna de ‘Encompasser’ wordt genoemd – het alwetende, alwetende wezen. Ook Zeus werd beschouwd als alwetend en soms als weldadig en wijs. Beide culturen gaven hun hemelgoden ook de eigenschappen van een moordenaar, wat het duidelijkst naar voren komt in de verhalen over Zeus die zijn vader vermoordt en zijn kind opeet om zijn troon voor altijd veilig te stellen. Deze moordzuchtige neigingen, die hemelgoden in Vedische, Griekse, Romeinse, Egyptische, Chinese en andere culturen gemeen hebben, tonen aan dat mensen geneigd zijn hun goden ‘antropomorfe’ eigenschappen toe te dichten, aldus Frazer, omdat het een gemakkelijke manier is om natuurkundige verschijnselen te verklaren in termen van persoonlijkheidskenmerken. Zo werden catastrofale bliksems geassocieerd met een boze Zeus.

Frazer observeert ook belangrijke vormen van zonaanbidding in Afrika om de personificatie-these verder te bewijzen. Verschillende Afrikaanse groepen associëren de Zon met alwetendheid en opperste macht, net als hun ‘beschaafde’ buren in het oude verleden. Voor de Ila-sprekende mensen in Noord-Rhodesië (het huidige Zambia) bijvoorbeeld werd de hemelgod Leza beschouwd als “niet zomaar een personificatie van natuurkrachten, maar een moreel wezen, een persoonlijke god”. Maar, “dit betekent niet altijd “goedheid””, merkt Frazer op. Leza’s macht omvat ook de macht om dood of veroordeling te veroorzaken’. Deze observatie brengt Frazer ertoe te stellen dat “de analogie tussen deze Afrikaanse hemelgod en de grote Arische hemelgod, waarvan Zeus het meest bekende type is, volledig lijkt te zijn”.

In zijn vergelijkingen tussen religieuze verering in het verleden en het heden maakt Frazer op controversiële wijze onderscheid tussen Afrikaanse (en Dravidische) praktijken, die hij ‘woest’ noemt, en de ‘beschaafde’ praktijken van de klassieke Arische wereld en haar nakomelingen. Hoewel Frazer in zijn werk betoogt dat de twee groepen – ‘beschaafd’ en ‘onbeschaafd’ – veel meer op elkaar lijken dan in het begin van de twintigste eeuw vaak werd aangenomen, slaagt hij er niet in duidelijk te maken wat hij eigenlijk bedoelt met ‘beschaafd’ en ‘onbeschaafd’. Voor een groot deel lijkt Frazer eenvoudigweg te hebben gedacht dat alle Afrikanen en sommige Indiaanse plattelandsgroepen van nature ‘wilden’ zijn – wellicht een weerspiegeling van de opvoeding en scholing van de antropoloog in het koloniale Groot-Brittannië. Deze harde spreektaal kan ook het gevolg zijn van het feit dat Frazer zo zwaar leunde op aantekeningen en details van Britse christelijke missionarissen die zich bezighielden met evangelisatie en proselitisme, terwijl ze de ‘woeste’ praktijken optekenden die ze hem rapporteerden.

Dat gezegd hebbende, besteedt Frazer wel veel tijd aan het uitwerken van Afrikaanse rituelen, en merkt hij op dat Afrika enkele van de oudste religieuze tradities ter wereld herbergt. Hij betoogt zelfs dat veel Hebreeuwse en Christelijke mythen mogelijk van Afrikaanse oorsprong zijn. Hij concentreert zich met name op het scheppingsverhaal, of Genesis, om zijn punt te bewijzen. De stereotiepe opvatting onder missionarissen in die tijd zou zijn geweest dat elke gelijkenis tussen Genesis-achtige verhalen die in Afrikaanse gemeenschappen werden verteld en die welke in christelijke gemeenschappen in Europa werden verteld, noodzakelijkerwijs het resultaat zou zijn geweest van Afrikanen die missionarisverhalen die zij ergens hadden gehoord, hadden verwaterd en aangepast. Frazer verwerpt dit standpunt. Hij stelt dat de verhalen over de “oorsprong van de mens” en de “oorsprong van de dood” zo wijdverbreid en zo diep geworteld zijn onder de verschillende “stammen” in de Britse koloniën dat zij onmogelijk het product kunnen zijn van Europese mythen die onlangs zijn aangepast. Het Genesis-verhaal waarvan Frazer meldt dat het in de Britse koloniën overheerst, bevat bijna altijd een slang die staat voor “onsterfelijkheid” en een verboden vrucht (of een ander verboden voorwerp) die staat voor “sterfelijkheid”. In de Hebreeuwse versie behoudt de vrucht zijn symboliek, maar verliest de slang zijn band met ‘onsterfelijkheid’. Dat suggereert volgens Frazer dat de Hebreeërs iets veranderden wat oorspronkelijk een Afrikaanse mythe was, in plaats van andersom. Het is denkbaar dat de Hebreeërs het verhaal hebben geleerd van negers met wie zij misschien hebben gesproken tijdens hun lange verblijf in Egypte. Zeker is dat negers zich reeds in de tijd van de 12e dynastie (ongeveer 2200 tot 2000 v. Chr.) in Egypte schijnen te hebben gevestigd, lang vóór de traditionele dienstbaarheid van de Israëlieten in dat land. De gezichten van de Egyptenaren op monumenten uit het Middenrijk zouden benaderingen vertonen van het negertype, hetgeen wijst op een vermenging van de twee rassen; men vermoedt zelfs dat er negerbloed kan hebben gestroomd in de aderen van de koninklijke familie, die van zuidelijke afkomst was. Er is dus geen inherente extravagantie in de veronderstelling dat de Hebreeën de barbaarse mythe van de zondeval ontleend zouden hebben aan de barbaarse negers, met wie zij misschien zij aan zij in de brandende zon hebben gezwoegd onder de zweep van Egyptische werkmeesters. Ten gunste van een Afrikaanse oorsprong van de mythe kan worden opgemerkt dat de verklaring van de veronderstelde onsterfelijkheid van slangen, die waarschijnlijk de kern van het verhaal in zijn oorspronkelijke vorm vorm vormde, in verscheidene Afrikaanse versies bewaard is gebleven, terwijl zij in de Hebreeuwse versie geheel verloren is gegaan; waaruit het natuurlijk is af te leiden dat de Afrikaanse versies ouder zijn en dichter bij het origineel staan dan het overeenkomstige, maar onvolledige, verhaal in Genesis’.

In zijn lezingen geeft Frazer gedetailleerde beschrijvingen van Aarde- en Zon-aanbidding in zowel oude als hedendaagse culturen. Terwijl de hemel vaak werd vergoddelijkt als een alwetende man, werd de aarde vaak vergoddelijkt als een leven schenkende vrouw. Frazer belicht hoe Terra Mater, of ‘Moeder Aarde’, in tal van religieuze samenlevingen tijdens verschillende landbouwseizoenen met offers werd vereerd. Zo wordt in het hedendaagse Hindoeïsme de Dharti Mata (Moeder Aarde) vereerd bij het begin van het zaaiseizoen en bij huwelijken en geboorten – een teken van haar rol bij het bevorderen van de vruchtbaarheid. Ondertussen gebruikten de “Khonds van Orissa”, een “onbeschaafd” Dravidisch gebruik in centraal India, menselijke offers aan de Aarde-godin om de vruchtbaarheid van hun velden te verzekeren. Frazer merkt op dat het ritueel nu wordt uitgevoerd met ‘dieren in plaats van mensen’.

In het algemeen worden Aardegodinnen ook voorgesteld als beschermers tegen elke vorm van ‘geweld’ of bloedvergieten. Wanneer er moorden, slachtpartijen of bloedige verwondingen plaatsvinden, worden er offers gebracht aan de godin om haar gunstig te stemmen en te voorkomen dat zij haar woede zou uiten door het groeiseizoen of de oogst te bederven. Evenzo was in een Chinese traditie de aardgod (hier een man) de verpersoonlijkte versie van het yin – de donkere kracht die, wanneer hij boos werd, verantwoordelijk was voor verduisteringen, overstromingen en wisselvallig weer. Hij werd ook aangeroepen bij sterfgevallen en executies.

De lezing eindigt met een verslag van de zonaanbidding over de hele wereld, die blijkbaar lang niet zo “diffuus” is als we gewoonlijk denken. Het is hier dat Frazer nog een controversiële bewering doet over “wilde Afrikanen”, door op te merken dat, terwijl de zonaanbidding bijna overal zwak is, deze bijzonder afwezig is in Afrika, er natuurlijk van uitgaande, zoals Frazer deed, dat we van “Afrika” elke overweging uitsluiten van het oude Egypte’s speciale zon-religie aangeroepen door Amenophis de Vierde, die regeerde van 1380 tot 1362 v. Chr.Het paar stelde een ongekende en nu beroemde zonnegodsdienst in tijdens de 18e dynastie, hoewel Nefrotete die na de dood van haar man afschafte. In zijn speculaties over de vraag waarom er in ‘zwart’ Afrika geen zonaanbidding bestaat, schrijft Frazer: “Misschien dat de regelmatige en vreedzame beweging van de zon aan de hemel, door het ontbreken van het element van het plotselinge, het verschrikkelijke en het onvoorziene, haar diskwalificeert voor het zijn van een voorwerp van belangstelling voor de eenvoudige wilde, wiens aandacht wordt geprikkeld en wiens emoties eerder worden opgewekt door die gebeurtenissen die zich met onregelmatige tussenpozen voordoen, die zijn bestaan bedreigen, en die hem met geen mogelijkheid in staat stellen om te voorspellen”.

Frazer beschrijft vervolgens hoe de verschillende volken die hij zo duidelijk als ‘beschaafd’ beschouwt, ook de zonaanbidding ontberen in hun respectieve rituelen. De Grieken personifieerden en vereerden de zon onder zijn eigennaam Helios, maar in het algemeen besteedden zij weinig aandacht aan hem”, terwijl “de sporen van een inheemse verering van de zon nog minder en vager zijn bij de oude Romeinen dan bij de oude Grieken”. Wat de oude Semieten betreft, die Frazer tot de meest ‘beschaafde’ samenlevingen rekende, ‘wijst niets erop dat de Israëlieten in hun nomadenbestaan aanbidders van de Zon waren; en zelfs nadat zij zich in Palestina hadden gevestigd, ontbreken positieve bewijzen van een dergelijke verering vóór de tijd van de koningen’. Dit gedeelte eindigt met een beschrijving van de middeleeuwse “christelijke vaders” die vochten om de zonaanbidding die in het Romeinse koninkrijk was overgebleven uit te roeien door 25 december – van oudsher een dag voor een zonaanbiddend feest in de stad – te vervangen door de herdenking van de geboorte van Christus, of “Kerstmis” (dat oorspronkelijk op 6 januari werd gehouden). Vreemd genoeg lijkt Frazer niet stil te staan bij het feit dat, naar zijn eigen zeggen, de christenen in Europa – een groep die hij categoriseert als de ‘meest beschaafde’ samenlevingen – er alleen in slaagden ‘beschaafd’ te worden door de zonaanbidding uit te bannen, in plaats van door erin te zwelgen, zoals hij veronderstelt dat ‘eenvoudige’ Afrikanen zouden moeten doen om meer ‘beschaafd’ te worden.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *